SCHUITJE VAREN, THEETJE DRINKEN

PRIMUS EN FIKKIE STOKEN
March 3, 2021
CANTINIERES IN HET LEGER
March 8, 2021
April 13, 2021

BANANEN OP DE FIETS

Het is tegenwoordig standaard dat wielerploegen een eigen diëtist en kok meenemen naar de koers. Die zorgen ervoor dat de renners genoeg eiwitten, koolhydraten, vetten, vitaminen […]
April 7, 2021

KOREAANS BLIKVOER

Het conservenblik is een uitvinding uit het leger. En dat militaire blikvoer ligt weer aan de basis van de Koreaanse budae-jjigae, met knakworst, smac en corned […]
March 26, 2021

RECEPT PARMENTIER 2.0

Geroosterde prei met aardappelpuree en citroen-knoflookboter Op 3 oktober 1950 kregen tweedeklaspassagiers op een stoomschip op weg naar Indië Parmentiersoep, een van mijn favorieten. De soep […]
March 23, 2021

ODE AAN DELPHER

Oh oh oh, wat zou ik moeten zonder Delpher. De gratis onlinedatabase van miljoenen gedigitaliseerde kranten (van 1618 tot 1995), tijdschriften en boeken heeft me, sinds […]
Trekschuit (ca. 1784), Rijksmuseum.

‘Reizen voor pleizier! o Droombeeld! o Hersenschim! Weten dan zoo weinig menschen dat reizen zoo moeilijk pleizierig zijn kan! Neen, de mensch is geen trekvogel; hij is een huisdier, en de natuurlijke kring zijner genoegelijke gewaarwordingen strekt zich niet verder uit dan zijne voeten hem brengen kunnen.’

Het hoofdstuk ‘Varen en rijden’ in de Camera obscura (1839) van Hildebrand (pseudoniem van Nicolaas Beets) is een opeenstapeling van klachten over reizen: het is hoogst oncomfortabel, je moet lang wachten en bent verplicht te praten met domme, hooghartige of oninteressante lui. Het weerhield Hildebrand en vele andere Nederlanders er niet van om regelmatig op pad te gaan in eigen land. In 1839 werd de eerste spoorlijn aangelegd en waren de eerste stoomboten reeds uitgevaren. Daarvóór was men aangewezen op trekschuiten, koetsen, paarden en de eigen voeten.

Reinier Nooms, Trekschuit naar Haarlem (1652 – 1654)

Een trekschuit was een schip dat werd voortgetrokken door een paard vanaf de wal. Het voer regelmatig tussen verschillende steden: veel trekvaarten waren reeds in de zeventiende eeuw uitgegraven en er was een uitgebreid netwerk ontstaan tussen dorpen en steden in de Nederlandse kustprovincies. Ieder die mee wilde en het kon betalen, mocht mee aan boord. Je voeten werden niet moe en je hoefde niets te sjouwen, maar vlot ging de reis niet: met een gemiddelde snelheid van vijf tot acht kilometer per uur was de trekschuit nauwelijks sneller dan lopen. Genoeg tijd om te eten, dus. Soms stond er een kraampje met hapjes en koffie bij een trekschuitvertrekpunt, en veel reizigers zullen zelf wat hebben meegenomen voor op de schuit. Ook herbergen verkochten al in de zeventiende eeuw lunchpakketjes – ‘koude keuckens’ – voor op reis.

Diligence (ca. 1830), Rijksmuseum

Een sneller alternatief was reizen per koets. In een privérijtuig als je echt geld had, en anders met medereizigers in een postkoets, die rond 1750 op de wegen kwam. De postkoetsen, of diligences, reden volgens een vast schema tussen grote steden om post af te leveren en hadden ook plek voor een aantal passagiers. Omdat meerdere paarden de koetsen trokken, ging je in een diligence een stuk sneller dan in een trekschuit, maar de reis was wel duur en oncomfortabel: op de onverharde wegen zat iedereen flink te hobbelen. Hoewel de zandwegen in de loop van de negentiende eeuw plaatsmaakten voor verharde wegen, bleef de diligence te krap en te wiebelig om er onderweg lekker in te eten. Reizigers vertrokken dus pas nadat ze hadden gegeten of stopten onderweg bij herbergen. Zo ging de dagelijkse postwagen van Antwerpen naar Amsterdam begin negentiende eeuw op weg na de lunch, om voor het diner in Breda te arriveren en de volgende ochtend weer vroeg te vertrekken.

Niet alle herbergen zijn zo gastvrij als je gewend bent, waarschuwde Thomas Holcroft zijn Britse medereizigers in Travels from Hamburg, Through Westphalia, Holland, and the Netherlands, to Paris (1804). Vooral in Duitse herbergen was men kil en traag. Hij gaf reizigers ook mee dat een table d’hôte (een gezamenlijk maal) in een herberg goedkoper en leuker was dan alleen op je kamer eten. Je moest wel oppassen niet te bescheiden te zijn tijdens het eten, anders at je gezelschap alles op en ging je met honger naar bed.

Bij een herberg tussen bomen rusten reizigers en paarden tijdens hun reis. Pieter de Molijn, Halte bij een herberg (1657), Rijksmuseum.

Het meest gebruikte vervoermiddel in de achttiende en negentiende eeuw was ook gelijk het oudste: de eigen voeten. Niet alle steden en dorpen waren opgenomen in het trekschuit- en postkoetsnetwerk en lang niet iedereen had er het geld voor (over). Er waren echter ook mensen die puur voor de lol gingen wandelen. Geert Mak en Marita Mathijsen beschrijven in Lopen met Van Lennep de voettocht door Nederland die twee Leidse studenten, Dirk van Hogendorp en Jacob van Lennep, in de zomer van 1823 maakten: in plaats van een klassieke grand tour te maken door Zuid-Europa wilden de jongens meer van hun eigen land zien. De wegen waren vol wandelaars en overal waar de jongemannen langskwamen vonden ze onderdak in herbergen of bij mensen thuis. Daar kregen ze ook te eten. Blijkbaar vaak karbonaadjes; zo kregen de twee in herberg Het Onvolmaakte Schip bij Oosthuizen (Noord-Holland) ‘zoals gewoonlijk karbonaden, sla en aardappelen, maar ook rundvlees, rapen en spinazie’.

Op een dag besloten Dirk en Jacob iets te drinken mee te nemen voor tijdens de tocht. Dat deden ze op z’n studentikoos: ze kochten veel brandewijn en wat eieren en maakten er een drank als advocaat van. Na drie glazen begon die aardig in te werken: ‘Ik zag dat ook Van Hogendorp niet met zijn gewone deftigheid liep.’ De jongens vielen in slaap, werden gewekt door een veldwachter en ziekten hun kater uit in een nabijgelegen herberg. ‘Ik zwoer nooit meer advocaat, ja zelfs geen brandewijn meer te proeven.’

MEER LEZEN OVER DE GESCHIEDENIS VAN ETEN OP REIS? KOOP MIJN BOEK TREK!
LIEFST BIJ JE PLAATSELIJKE BOEKHANDEL, OF:

Literatuur

  • Boschma, C. Reizen in Napoleons tijd. Een avontuurlijke en soms hachelijke onderneming (Uniepers, Abcoude, 1992).
  • Hell, Maarten. De Amsterdamse herberg 1450-1800, Geestrijk centrum van het openbare leven (Vantilt, Amsterdam, 2017).
  • Hildebrand (Nicolaas Beets). Camera obscura (1839, deze editie 7e druk Haarlem, 1871).
  • Holcroft, Thomas. Travels from Hamburg, Through Westphalia, Holland, and the Netherlands, to Paris, Vol. i (Richard Philips, Londen, 1804).
  • Mak, Geert en Marita Mathijsen. Lopen met Van Lennep. De zomer van 1823. Dagboek van zijn voetreis door Nederland (Waanders, Zwolle 2000).
  • Nieuweboer, Adèle. Schuitje varen, theetje drinken: reizen en vertellen in achttiende-eeuws Nederland (Educaboek, Culemborg, 1984).