ETEN UIT DE NATUUR: MIGRANTEN IN NOORD-NEDERLAND

BANANEN OP DE FIETS
April 13, 2021
April 13, 2021

BANANEN OP DE FIETS

Het is tegenwoordig standaard dat wielerploegen een eigen diëtist en kok meenemen naar de koers. Die zorgen ervoor dat de renners genoeg eiwitten, koolhydraten, vetten, vitaminen […]
April 7, 2021

KOREAANS BLIKVOER

Het conservenblik is een uitvinding uit het leger. En dat militaire blikvoer ligt weer aan de basis van de Koreaanse budae-jjigae, met knakworst, smac en corned […]
March 26, 2021

RECEPT PARMENTIER 2.0

Geroosterde prei met aardappelpuree en citroen-knoflookboter Op 3 oktober 1950 kregen tweedeklaspassagiers op een stoomschip op weg naar Indië Parmentiersoep, een van mijn favorieten. De soep […]
March 23, 2021

ODE AAN DELPHER

Oh oh oh, wat zou ik moeten zonder Delpher. De gratis onlinedatabase van miljoenen gedigitaliseerde kranten (van 1618 tot 1995), tijdschriften en boeken heeft me, sinds […]
Etnoloog Carolina Verhoeven van Stichting Culinair Erfgoed Centrum beheerde jarenlang het Culinair Historisch Museum in Haulerwijk, Friesland en werkt nu aan een groot project – en boek – over rouwrituelen. Maar dat is lang niet alles: al bijna veertig jaar houdt Carolina zich bezig met de geschiedenis en het heden van eten, drinken en volkscultuur. Ze doet historisch onderzoek, verzamelt kookobjecten, specialiseerde zich in fermentatie, wecken en andere conserveermethoden en reist daarnaast ook nog de hele wereld rond voor ontwikkelingswerk en onderzoek naar culinaire tradities. Ik mocht rondsnuffelen in Carolina’s aantekeningen over het eten onderweg van Duitse migranten in Nederland in de 19e eeuw:

‘Vele arbeidsmigranten trokken in die tijd de grens over, op zoek naar geluk en een beter bestaan. In eigen land was tekort aan werk en voedsel en men dacht dat er in Nederland meer werk zou zijn voor seizoenarbeiders. De mannen, of hele families, reisden te voet en vaak tooiden ze hun hoed met een takje van de vlier als bescherming tegen onheil en gevaar onderweg. In hun plunjezak namen ze graanjenever mee, koffie en brood, gebakken in raapolie of reuzel, om het langer goed te houden. Kleine gietijzeren pannetjes gingen mee om onderweg vers brood in te bakken, van in het wild gevonden rogge, gerst of boekweit. Oud en droog brood sopten reizigers in slootwater of soep, of ze wikkelden het in een linnen lap, die in een ketel met slootwater tot broodpudding werd gekookt, soms aangevuld met bessen. De migranten zochten in de natuur ook naar eetbare paddenstoelen, eieren en kruiden.

Brood ging mee aan een stok. Foto: Carolina Verhoeven

Een algemeen gebruik was om droge vruchten en zaden en heilzame kruiden te verzamelen, om aan de gordel mee te dragen. Door waarneming en intelligentie had men kennis verzameld over welke planten en vruchten eetbaar waren, of als geneesmiddel te gebruiken. De vlierbloesem werd gebruikt voor schorre kelen, en op stengels van smalle weegbree en kruiden als kalmoeswortel kon je tijdens het lopen kauwen. In het voorjaar maakte men fluitjes van jonge vliertakken: vlierenfluitjes. Als het merg van een dikke vliertak dik genoeg was, kon een droog stukje vlierprop dienen als dop op een fles.

Rustende reiziger, Willem Cornelis Rip (1877), Rijksmuseum.

Dat klinkt allemaal misschien idyllisch en romantisch, maar niets was minder waar. Vaak vertrokken de arbeidsmigranten al ondervoed en ziek. De reis was zwaar, koud en nat. Men vulde klompen of schoenen met stro of het blad van de smalle weegbree, voor warme tenen en tegen vermoeide en stukgelopen voeten. Overnachten deden ze in de natuur of in een schuilplaats. Tijdens hun zoektocht naar werk zochten de arbeidsmigranten steun en bescherming bij elkaar. Ze troffen elkaar bij bekende plaatsen en gaven elkaar tips. Welke boer betaalde het best? Waar kreeg je een stuk vet spek en roggenbrood, of een bord gruttepap?

Het mocht niet altijd baten: vele arbeidersmigranten stierven tijdens hun tocht door ziekte en ondervoeding. Omdat hun land van herkomst vaak onbekend was, werden ze als niet rein gezien en mochten ze niet op reguliere kerkhoven begraven worden. Vaak werd er twintig meter voor een kerkhof een eenvoudig graf gegraven. Als grafgift kregen ze hun kleding en brood meegegeven. Katholieke reizigers kregen een munt mee op hun tong of ogen om de tocht naar het hiernamaals te kunnen betalen.’

Brood in een reisblikje. Foto: Carolina Verhoeven

MEER LEZEN OVER DE GESCHIEDENIS VAN ETEN OP REIS? KOOP MIJN BOEK TREK!
LIEFST BIJ JE PLAATSELIJKE BOEKHANDEL, OF: